We ontmoeten Karel Van Eetvelt in een gezellige koffiebar in het centrum van Mechelen. Dat is geen toeval, zo blijkt al snel. De eigenares werkte tot voor kort nog voor Unizo, maar ging daarna zelf ondernemen in de horeca. Het is onder dit soort bedrijven dat de organisatie graag zijn schouders zet: niet al te groot, maar met z’n allen samen zeer belangrijk voor onze economie en welvaart.

België heeft de naam een typisch kmo-land te zijn. Is dat ook zo?
“We zijn zeker een kmo-land, maar dat is eigenlijk niet zo typisch. Qua relatief aantal kmo’s scoren wij min of meer hetzelfde als onze buurlanden. In feite is heel Europa een kmo-regio. Het is gewoon een feit dat er niet zo gigantisch veel bedrijven zijn die echt op wereldschaal werken, niet bij ons en niet in onze buurlanden. Wij hebben vooral bedrijven die niet echt piepklein zijn, maar ook geen echte reuzen zijn.”

Eigenlijk is heel Europa een kmo-regio

Desondanks is hun economische impact niet te onderschatten?
“Absoluut niet. Volgens de EU zijn kmo’s in België goed voor net geen 70 procent van de tewerkstelling of 1,9 miljoen arbeidsplaatsen. Ze zorgen voor 62,3 procent van de toegevoegde waarde. Dat is maar liefst 121 miljard euro. Dat zijn serieuze cijfers. Bovendien zien we nog een andere belangrijke evolutie. Het economisch belang van kmo’s blijft stijgen, zeker wat betreft tewerkstelling.”

 

Karel Van Eetvelt | ©Ian Hermans
©Ian Hermans

 

 

Zijn de overheid en de beleidsmakers zich daar al voldoende bewust van?
“Ze zijn er zich wel van bewust, maar in de toepassing van dat bewustzijn laten ze nog steken vallen. Langs de ene kant is het natuurlijk gemakkelijker om regels te maken op maat van grote, uniforme bedrijven, die in heel veel landen actief zijn, multinationals zeg maar. Dat komt omdat die heel uniform opereren. Het is bijna eenvoudiger om regels op hun maat te maken. Het gevolg is wel dat die regels vaak heel lastig toe te passen zijn op onze diverse kmo’s, die allemaal net iets anders werken. Anderzijds is het voor de machthebbers ook aantrekkelijker en gemakkelijker om – hoe zal ik het zeggen – ‘zoete broodjes te bakken’ met het grote kapitaal. Ze vinden mekaar veel gemakkelijker.”

Vandaar al die fiscale gunst- en uitzonderingsmaatregelen voor de hele groten?
“Dat blijft inderdaad toch wel een probleem, ja. Dat is trouwens ook geen typisch Belgisch fenomeen, je ziet dat in andere landen ook. Gelukkig komt er, mede dankzij de media, alsmaar meer druk op dat soort Lux-, Swiss- en Panama-constructies. De publieke opinie pikt het niet meer. En maar goed ook.”

De publieke opinie pikt Lux-, Swiss- en Panama-constructies niet meer, en maar goed ook

Vroeger was het imago van de zelfstandige iemand die met een Mercedes rondtufte en vooral bezig was met zijn zwart geld te verbergen. Is daar een kentering voelbaar?
“Dat is een typisch clichébeeld uit de jaren zeventig en tachtig. Ik denk dat ook de media daar aan hebben bijgedragen. Als je vroeger op tv een zelfstandige zag in een serie of een soap, was dat altijd een beetje een sjoemelaar. Het ergste was natuurlijk dat veel mensen dan ook gingen denken dat dat de waarheid was. Tegenwoordig is dat toch verbeterd, denk ik. We schenken nu op een andere manier aandacht aan zelfstandigen en ondernemers. Desalniettemin, ik zag onlangs een studie van de KU Leuven en daaruit bleek dat de context waarin ondernemers in het nieuws komen, voor 98 procent negatief is. Als er ondernemers in het journaal komen, is dat bijna altijd bij stakingen, herstructureringen, faillissementen… Zo creëer je de indruk dat ondernemen gelijk staat aan problemen, terwijl dat helemaal niet zo is. Ze creëren net veel toegevoegde waarde.”

 

Karel Van Eetvelt | ©Ian Hermans
©Ian Hermans

 

 

En het ondernemerschap zelf, zit dat in de lift? De Belg heeft nog altijd de naam van een notoire niet-ondernemer te zijn.
“Ik loop al 25 jaar tussen ondernemers rond en ik heb nooit dat idee gehad. Het hangt een beetje af van wat je onder ‘ondernemer’ verstaat. Ongeveer een miljoen Belgen hebben een ondernemingsnummer, dat is 20 procent van de beroepsbevolking. Dat vind ik helemaal niet slecht. Ik zie ook dat meer en meer mensen openstaan voor evoluties in de samenleving en opportuniteiten zien om daar iets rond uit te bouwen. Ik heb geen harde cijfers, maar zeker bij jongeren is dat meer zo dan vroeger. Dat is mijn gevoel. Heel die start-upcultuur die nu leeft, vind ik geweldig. Aan de andere kant zie ik ook veel meer vijftigplussers die zin hebben om te gaan ondernemen dan vroeger. Een paar jaar geleden waren dat enorme uitzonderingen, nu niet meer.”

Twintig procent van de bevolking heeft een ondernemingsnummer, ik vind dat niet slecht

Wat zijn de grote uitdagingen van de kmo-ondernemer?
“Het feit dat we in een zeer snel veranderende, disruptieve wereld zijn terechtgekomen en dat hij daarop een antwoord moet hebben. Ik denk dat we nu echt op een sleutelmoment zitten. Het beleid zal ook zijn reglementaire kaders aan die omgeving moeten gaan aanpassen. We hebben na de Tweede Wereldoorlog een fantastisch model opgebouwd. Nu moeten we dat model durven aan te passen, anders worden de reglementen een rem. Ondernemers zijn daar al veel meer mee bezig dan de overheid.”

Hoe ziet u de toekomst van de kmo’s?
“Je ziet duidelijk dat er in het consumentengedrag een drang is naar het authentieke, het lokale, het kleine, minder massaproductie, de circulaire economie, de deeleconomie… Dat zijn allemaal dingen waar een grote, multinationale structuur het moeilijk mee heeft, maar die perfect zijn voor kleine en wendbare kmo’s. Veel grote bedrijven proberen daarom krampachtig om een soort interne start-upcultuur te creëren, maar dat is heel moeilijk natuurlijk. Ik hoop alleen dat er onder kmo’s de komende jaren meer samengewerkt zal worden en dat niet iedereen op zijn eigen eilandje blijft. Je ziet duidelijk een shift van ‘kennis is macht’ naar ‘kennis delen is macht’.”