Minister van Werk Kris Peeters beaamt: we leven momenteel niet in economisch opbeurende tijden. Toch zijn er tekenen die aanleiding geven tot (heel voorzichtig) optimisme: het aantal faillissementen in ons land daalde vorig jaar met 8 procent, de grootste daling sinds 2000. Bovendien blijkt uit een studie van UNIZO en Graydon dat er tussen januari en augustus 2014 (de meest recente cijfers) alvast in Vlaanderen 1,5 procent meer starters waren dan dezelfde periode in 2013. “Godzijdank hebben we in ons land nog steeds die ondernemende geest.”

Is die faillissementenduik met 8 procent ook een positieve zaak?
“Jazeker, maar ook geen reden om meteen te juichen – het aantal ligt nog steeds te hoog. Maar laten we hopen dat dit een trend is die zich de komende jaren voortzet.”

Blijft België een kmo-land bij uitstek?
“Zeker. Kleine en middelgrote ondernemingen vormen de motor van ons bedrijfsleven, dat heeft ook de economische crisis bewezen. Ze hebben beter standgehouden dan de grote bedrijven. Maar let op: we hebben in ons land uiteraard grote ondernemingen nodig, al was het maar om grondstoffen en producten aan de kmo’s te leveren. Het ideaal is een gezonde mix van beide.”

De rol van kmo’s in innovatie zal alleen maar belangrijker worden

 

Een en-en-verhaal.
“Juist. Kmo’s zijn zoals gezegd meer crisisbestendig, doen meer inspanningen om hun personeel in economisch moeilijke tijden vast te houden, en hebben meer neiging om zich lokaal te verankeren. Bovendien hebben ze vaak weinig plaats nodig: in het beste geval volstaat een tafel en een laptop (lacht). Voor grote bedrijven ligt dat uiteraard moeilijker, maar die hebben dan weer het voordeel van schaal. Je kan nu eenmaal geen raffinaderij of assemblagesysteem voor automotive gaan ontwikkelen in een kmo.”

Het Duitse ZEW plaatste België vorig jaar vierde op de Innovatiebarometer van de 35 meest innovatieve economieën in Europa. Dat zou vooral te danken zijn aan onze kmo’s. Akkoord?
“Vooral in het nieuwe industriële beleid, en dan meer specifiek smart specialisation waar vooral Vlaanderen heel sterk op inzet, spelen onze kmo’s en spinoffs inderdaad een innovatieve voortrekkersrol. Bijvoorbeeld in 3D-printing of biotechnologie, waar ook de technologische clusters rond Luik en Bergen zeer sterk in zijn. Die rol zal volgens mij ook alleen maar belangrijker worden.”

Hoe kan een overheid die innovatie stimuleren?
“Elk bedrijf dat met iets nieuws komt, moet door de zogenaamde valley of death: het moment waarop het product of de dienst nog niet voldoende bekend is en de markt dus nog moet veroveren. Die periode moet vaak financieel overbrugd worden met subsidies, steun, garanties, en daarbij kan de overheid een belangrijke rol spelen. Maar ook het stimuleren van samenwerking tussen kmo’s en onderzoekscentra, universiteiten, grote bedrijven… is onze taak – ook over de lands- en taalgrenzen heen. Een overheid moet faciliteren en standaardiseren.”

 

We zitten hier in het centrum van Europa – voor een ondernemer een onbetaalbare troef

 

Maar zijn die hulpmaatregelen wel voldoende gekend?
“Het is inderdaad zo dat verschillende maatregelen wat beter gecommuniceerd kunnen worden. Er gebeurt heel veel waar ondernemers niet voldoende van op de hoogte zijn – bijvoorbeeld ons 3D-project met verschillende Europese partners, of onze initiatieven op vlak van biobased technology.”

U hebt met de federale overheid 7 miljoen euro vrijgemaakt voor kmo’s die hun eerste aanwerving(en) doen. Werpt dat al vruchten af?
“Het zogenaamde Plus-één-plus-twee-plus-drie-plan bestond al, maar hebben we tijdens deze legislatuur versterkt, samen met collega-minister Willy Borsus. Omdat de aanwerving van het eerste – en vervolgens het tweede en het derde – personeelslid voor een onderneming zo’n cruciale stap is. Daarom willen we die loonkost verminderen. Het heeft effectief al zijn vruchten afgeworpen, en we hopen dat het bij een heropleving van de economie nog meer effect zal hebben. Want een personeelslid aannemen is één ding, het moet ook nog renderen natuurlijk.”

Hoe zou u als minister van Werk een potentiële starter overtuigen om hier effectief een zaak op te starten? Anders gezegd: welke troeven heeft ons land?
“We zitten hier in het centrum van Europa – je kan als ondernemer je vleugels zo ver uitslaan als je zelf wilt. Daarenboven hebben we op een kleine oppervlakte verschillende gerenommeerde onderzoeksinstellingen en universiteiten. Bovendien kan je bij heel wat instanties aankloppen voor financiële of inhoudelijke steun: het Agentschap Ondernemen, het Participatiefonds, noem maar op. In vergelijking met andere landen staan we op dat vlak heel sterk.”

 

Respect voor de ondernemer is echt wel op zijn plaats

 

Als België zo’n ondernemersland is, waarom heeft het dan tot 2014 geduurd voor we een Dag van de Ondernemer hadden?
“Goh, we hadden al een Dag van de Middenstand, een Open Bedrijvendag… elke dag wel iets (lacht). Dus daar zou ik niet te veel achter zoeken. Wat we met die dag willen bereiken? Vooral aan de samenleving duidelijk maken dat respect voor ondernemerschap op zijn plaats is.”

U stond tien jaar aan het hoofd van UNIZO, de Unie van Zelfstandige Ondernemers. Wat heeft u dat geleerd over ondernemen in België?
“Dat we hier prachtige ondernemers hebben. Gedreven, maar met beide voeten op de grond – soms zelfs iets te bescheiden in de zin van internationaal denken en handelen. Maar we zijn een ondernemend volk, en die spirit moeten we koesteren. Vooral omdat we dankzij al die ondernemers een hoge levensstandaard hebben bereikt.”

Welke tip zou u starters meegeven?
“Bezint eer ge begint. Een zaak oprichten is een avontuur, maar niet zonder risico’s. Wat niet wegneemt dat een ondernemer ook over een gezonde dosis lef en passie moet beschikken. Maar zorg altijd voor voldoende evenwicht. Je mag nog zo’n prachtig product of dienstenaanbod hebben, als je gezondheid er onder lijdt, zal je er weinig voldoening uit halen.”

fo_update-001